Gedoogbeleid

Uit DHPedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Deze wiki gaat over het Nederlandse gedoogbeleid met betrekking tot softdrugs.

Softdrugsbeleid

Het ontstaan van het gedoogbeleid

Cannabis was tot begin jaren ’60 nauwelijks bekend in Nederland. Toch was het al vanaf 1923 min of meer verboden. Tijdens de drugsconferentie werd het verbod op cannabis door Egypte voorgesteld. De meeste congresgangers wisten toen nog niet waarover het ging, en stemden voor het verbod. Bij de totstandkoming van het Verdrag van New York op 30 maart 1961 was er iets meer discussie. Onder dit nieuwe verdrag zouden vele drugs komen te vallen, inclusief cannabis. In het Engelse medisch tijdschrift ‘The Lancet’ van 9 november 1963 werd door de redactie zelfs gepleit te overwegen cannabis tot de hallucinogenen te rekenen en het van de lijst van verdovende middelen af te voeren. Zowel in Engeland als in Nederland kwam deze suggestie bij het goedkeuringsdebat van het verdrag even ter sprake. Er werd geen gehoor aan gegeven.

In de loop van de jaren zestig nam echter het gebruik van cannabis sterk toe. Het feit dat het gelijk gesteld was met andere soorten drugs bleek onvoorziene nadelige effecten te hebben. Doordat alles verboden was, was het onderscheid tussen de verschillende drugs voor gebruikers minder duidelijk. Er werd daarom van alles door elkaar gebruikt, van cannabis, heroïne, cocaïne, speed tot LSD. Om deze nieuwe situatie het hoofd te bieden werden de commissie-Hulsman (1968) en de commissie-Baan (1970) ingesteld. Zij onderzochten of het verbod op cannabis nog wenselijkwas. De commissie-Baan adviseerde om de wet te veranderen en het gebruik van cannabis niet meer als crimineel te bestempelen. Zij stelden dat cannabis geen fysieke afhankelijkheid veroorzaakt en dat er geen aanwijzingen zijn dat cannabis het psychisch functioneren duurzaam schaadt. Deze uitspraken waren de reden voor het kabinet om bij monde van minister van Agt van de KVP, het latere CDA, een apart beleid voor cannabis te ontwikkelen. Het was niet de bedoeling om cannabis te legaliseren maar de vervolging geen of minder prioriteit te geven. Daarmee zou Nederland officieel in lijn blijven met de internationale verdragen, zo werd gesteld. Opvallend was dat de streng gereformeerde Antirevolutionaire partij (ARP) bij de debatten in de Tweede Kamer voorstander bleek van legalisatie van softdrugs. Zij baseerden zich daarbij op de resultaten van het onderzoek door een partijwerkgroep van de ARP. Die deed o.a. de aanbeveling dat zo spoedig mogelijk diende te worden gezocht naar mogelijkheden om ruimte te scheppen voor een legaal experiment met het beschikbaar stellen van cannabisproducten. In dat rapport, “Touwtrekken om hennep” uit 1972 van de Abraham Kuyper stichting stond dat de werkgroep “van mening is dat een verantwoord gebruik van cannabis mogelijk is en voorkomt zoals dat ook het geval is bij alcoholgebruik”.[1] De stichting opperde zelfs de mogelijkheid van een staatsmonopolie op de verkoop van cannabis aan mensen boven de 16 jaar. Voor dat laatste koos het kabinet echter niet.

Van gedogen naar reguleren

De jaren na de start van het ‘gedoogbeleid’ van cannabis, bleek dat het niet gereguleerde deel -de productie en handel- tot groeiende problemen leidde. Was de cannabishandel en teelt in de jaren ’70 nog redelijk amateuristisch, in de jaren ’80 werd de import steeds grootschaliger, en kwam ook de teelt van zogenaamde Nederwiet op volle toeren. De cannabisscène werd bovendien steeds meer geïnfiltreerd door criminelen die zich ook met andere illegale zaken als wapenhandel en harddrugs bezig hielden. Vanwege deze ontwikkeling is de afgelopen 30 jaar het beleid rond cannabis dikwijls aangepast. De wetten Victor en Victoria[2], de wet BIBOB[3] en de wet Damocles[4] werden in de jaren ’90 ingesteld om uitbaters van coffeeshops aan te pakken, die betrokken waren bij het wiswassen van geld of andere criminele zaken. Maar ook aan de aanbodzijde werd het aanvankelijke ‘gedoogbeleid’ sterk aangepast. Vanaf de jaren ’90 werden voor de coffeeshops de zogenaamde AHOJ-G criteria[5] opgesteld. Deze regels voorzien in eisen dat er geen reclame gemaakt mag worden voor de verkoop; er geen harddrugs verkocht mogen worden; er geen overlast veroorzaakt mag worden; er geen cannabis aan jongeren onder de 16 jaar verkocht mag worden en er geen grote hoeveelheden softdrugs verkocht mogen worden. Alleen onder die voorwaarden kreeg je een vergunning om cannabis te verkopen. De eis om niet aan mensen onder de 16 te verkopen werd midden jaren negentig zelfs verhoogd naar 18. Bovendien kwam de eis erbij dat er ook geen alcohol geschonken mag worden. Van het oorspronkelijk ‘gedogen’ van cannabis is dus vrijwel geen sprake meer; Het is inmiddels aan strenge regels gebonden.

Problemen met het huidige beleid

Het grootste probleem met huidige beleid is dat de zogeheten 'achterdeur' van de coffeeshop niet open is. Dit houdt in dat de coffeeshop wel wiet mag verkopen, maar niet inkopen. Tevens is de productie van cannabis niet toegestaan, waardoor dit nu grotendeels in handen is van criminele organisaties.[6]

Ook bestaat er een probleem aan de grens streken met Duitsland en België, waar 'drugstoeristen' vanuit het buitenland naar een coffeeshop in het grensgebied komen en de nodige overlast met zich meenemen.

De toekomst van het beleid

Over hoe het verder moet met het Nederlandse softdrugsbeleid is de tweede kamer zeer verdeelt. De linkse partijen zijn voor het regulieren van de teelt en inkoop van cannabis. Waardoor er ook meer controle ontstaat op de kwaliteit van de cannabis.[7] Terwijl de meer rechtse partijen pleiten voor een strengere aanpak van het huidige beleid, mede door het gebruik van een grote groep jongeren.

Een onderzoek dat in 2007 in het Engelse wetenschapstijdschrift The Lancet[8] werd gepubliceerd en in 2009 de het RIVM[9] een vergelijkbaar onderzoek naar de schadelijk effecten van verschillende drugs, stond cannabis in de middenmoot qua schadelijkheid. In deze onderzoeken werden zowel naar de persoonlijke als de maatschappelijke schadelijkheid gekeken en vergeleken.

Referenties

  1. Touwtrekken om hennep, Abraham Kuyper stichting 1972
  2. Overlast en verloedering; evaluatie wetten Victoria en Victor, VROM inspectie, april 2009
  3. Voorlichtingsfolder Wet BIBOB
  4. Opiumwet artikel 13b, wet Damocles.
  5. AHOJ-G criteria
  6. Geen deuren maar daden, nieuwe accenten in het Nederlands drugsbeleid, Commissie-Van de Donk, juli 2009
  7. Nuchter in extase, D66 Drugsnota juli 2009
  8. Development of a rational scale to assess the harm of drugs of potential misuse, David Nutt, Leslie A King, William Saulsbury, Colin Blakemore, 2007
  9. Ranking van drugs, Een vergelijking van de schadelijkheid van drugs, RIVM juli 2009